hidden Basispensioen

Basispensioen

De module basispensioen

Deze module geldt voor alle deelnemers en voorziet in:

  • een ouderdomspensioen,
  • een nabestaandenpensioen (levenslang en tijdelijk),
  • een wezenpensioen,
  • een arbeidsongeschiktheidspensioen,
  • de keuzemogelijkheid voor uitruil van een ouderdomspensioen naar een combinatie van ouderdoms- en/of nabestaandenpensioen.

Ouderdomspensioen

Het ouderdomspensioen gaat in op de pensioendatum en wordt levenslang uitgekeerd. De standaard pensioendatum is de dag waarop men 65 wordt. De hoogte van het ouderdomspensioen is bij een eindloonregeling gebaseerd op de pensioengrondslag van het laatste jaar dat iemand werkt voordat hij met pensioen gaat. Bij een middelloonregeling wordt de hoogte van het ouderdomspensioen gebaseerd op het gemiddeld genoten salaris.

Pensioengrondslag

De pensioengrondslag is de basis voor de berekening van het pensioen. De pensioengrondslag wordt verkregen door op het pensioengevend salaris een vast aftrekbedrag, de zogenaamde 'franchise', in mindering te brengen.

pensioengrondslag = pensioengevend salaris - franchise

Onder het pensioengevend salaris wordt verstaan 12 maal het vaste maandsalaris, plus de vakantietoeslag. Ook de eventuele extra inkomensbestanddelen worden soms tot het pensioengevend salaris gerekend.

De franchise is het gedeelte van het salaris waarover geen pensioen wordt berekend. Het is een vast bedrag dat van het jaarsalaris wordt afgetrokken omdat men over dit deel AOW van de overheid (de AOW-uitkering) ontvangt. De hoogte van de franchise verschilt per onderneming.

 
 
 
 
Aantal dienstjaren

Het aantal dienstjaren dat iemand in de SFP-pensioenregeling doorbrengt, is van invloed op de hoogte van het pensioen. Dat blijkt uit het volgende voorbeeld in een eindloonregeling.

Stel, het salaris is Eur 30.000,-- en de franchise is Eur 15.756,--.
De pensioengrondslag is dan Eur 30.000,-- minus Eur 15.756,-- = Eur 14.244,--

Voor een deelnemer die veertig deelnemersjaren heeft gewerkt bij een bij SFP aangesloten onderneming, is het ouderdomspensioen: 2,2% x 40 jaar x Eur 14.244,-- (pensioengrondslag) = Eur 12.534,--

Voor een deelnemer die echter maar dertig dienstjaren heeft gewerkt, is het ouderdomspensioen lager, namelijk: 2,2% x 30 jaar x Eur 14.244,-- (pensioen-grondslag) = Eur 9.401,--

Nabestaandenpensioen

Indien een deelnemer vóór pensionering komt te overlijden, ontvangt de echtgeno(o)t(e) of partner een nabestaandenpensioen. Het nabestaandenpensioen is een bepaald percentage van het salaris, en bedraagt minimaal Eur 11.831,--. De werkgever kan kiezen tussen 30, 40 of 50%. Het nabestaandenpensioen bestaat uit een tijdelijk deel en een levenslang deel:

  • Tijdelijk nabestaandenpensioen
    Zolang de nabestaande nog geen 65 jaar is, ontvangt deze bij overlijden van de deelnemer vóór de uittredingsdatum in ieder geval het tijdelijk nabestaandenpensioen. Dit is een uitkering ter grootte van Eur 11.831,-- per jaar (2006). Dit bedrag is gelijk aan de AOW-uitkering voor een alleenstaande. Het tijdelijk nabestaandenpensioen wordt uitgekeerd tot aan de 65-jarige leeftijd van de nabestaande. Daarna ontvangt deze de eerder genoemde AOW-uitkering van de overheid.
  • Levenslang nabestaandenpensioen
    Het levenslang nabestaandenpensioen is bedoeld om het tijdelijk nabestaandenpensioen aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris, om zo tot een volledig nabestaandenpensioen te komen.
 
 
 
 
Uitkering ineens bij overlijden

Bij overlijden van een deelnemer na de pensioendatum ontvangt de nabestaande een uitkering ineens ter hoogte van twee maandelijkse uitkeringen van het ouderdomspensioen.

Als de deelnemer geen nabestaande achterlaat maar wel kinderen, wordt deze uitkering uitgekeerd aan de kinderen. Ieder kind ontvangt een evenredig deel.

Wezenpensioen

Het wezenpensioen bedraagt 11% van het ouderdomspensioen en wordt verdubbeld als beide ouders zijn overleden. Het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot de 18e verjaardag van het kind. Aan kinderen die studeren of arbeidsongeschikt zijn, vindt de uitkering plaats tot uiterlijk de 27e verjaardag.

Arbeidsongeschiktheidspensioen

Als iemand arbeidsongeschikt wordt, ontvangt hij naast de WIA-uitkering (Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen) een arbeidsongeschiktheidspensioen. Dit pensioen gaat in op de dag waarop die persoon aanspraak krijgt op een uitkering. Het arbeidsongeschiktheids-pensioen wordt uitgekeerd zolang men arbeidsongeschikt blijft, en loopt uiterlijk door tot de pensioendatum.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen bedraagt 5% van het jaarsalaris, met een maximum van
Eur 48.716,-- (in 2010), het maximum salaris voor de WIA-uitkering. Als iemand een hoger jaarsalaris ontvangt, krijgt hij naast de 5% over het gedeelte tót de WIA-grens, nog een percentage WIA-aanvullend pensioen over het gedeelte bóven de WIA-grens.

Uitruil ouderdomspensioen naar nabestaandenpensioen

Op de pensioendatum heeft men eenmalig de mogelijkheid om een deel van het ouderdomspensioen om te zetten in een combinatie van een ouderdomspensioen en een verzekering voor een nabestaandenpensioen. Dit wordt uitruil genoemd. Het ouderdomspensioen wordt dan dus lager. Het nabestaandenpensioen bedraagt een bepaald percentage (35%, 50%, of 70%) van het nieuwe ouderdomspensioen. Met het 'nieuwe' ouderdomspensioen wordt het ouderdomspensioen bedoeld dat na de omzetting is overgebleven.

Via een formulier dat mede door uw echtgeno(o)t(e) of partner moet worden ondertekend, geeft een deelnemer aan welk percentage nabestaandenpensioen hij kiest. Ook als iemand geen gebruik wenst te maken van deze uitruilmogelijkheid, dient hij dit bekend te maken via een formulier dat mede door zijn echtgeno(o)t(e) of partner is ondertekend.

Jonger dan de toetredingsleeftijd

Als een werknemer alleen op grond van zijn leeftijd nog niet voor deelneming in de pensioenregeling in aanmerking komt, is er wel een nabestaanden- en/of wezenvoorziening verzekerd.